Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV5889

Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1627
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afrekeningsnota. Niet-ontvankelijkheid. Ambtshalve vervallen verklaren van uitspraak. Proceskostenveroordeling.


Uitspraak

05/1627 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te Heino, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beroepschrift van 8 maart 2005 heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle-Lelystad op 27 januari 2005, nummer 04/779, tussen partijen gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. P.A.D.M. Bouts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar namens gedaagde niemand is verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 28 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen zijn besluit van 31 maart 2004, zijnde de afrekeningsnota 2003. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het bestreden besluit vernietigd. De Raad heeft bij uitspraak van 19 mei 2005 het beroep van appellant met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft in dit verband overwogen dat appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de gronden van het hoger beroep kenbaar te maken. Na het verzenden van de uitspraak is gebleken dat appellant de gronden van het beroep heeft ingediend op de laatste dag van de gestelde termijn, te weten op 2 mei 2005. De Raad heeft hierin aanleiding gezien partijen hangende de verzettermijn ambtshalve mede te delen dat zijn uitspraak van 19 mei 2005 komt te vervallen en de procedure voort te zetten in de stand waarin deze zich bevond. Gedaagde heeft vervolgens onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 februari 2005 (LJN AT2417) afgezien van het voeren van verweer tegen het ingestelde hoger beroep. Gedaagde vraagt om toekenning van de bij de aangevallen uitspraak toegewezen proceskostenvergoeding. De Raad overweegt als volgt. De aangevallen uitspraak komt, gelet op de door gedaagde vermelde uitspraak van de Raad van 24 februari 2005, voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet in het procesverloop in hoger beroep geen aanleiding de in de aangevallen uitspraak neergelegde proceskostenvergoeding in stand te laten. Het procesverloop heeft evenmin in hoger beroep voor gedaagde tot additionele proceskosten geleid, zodat de Raad voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep evenmin aanleiding ziet. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond; Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) M. Renden.